Wijziging transitievergoeding voor oudere werknemers per 1 januari 2020 noopt tot strategisch nadenken over ontslag voor oudere werknemers

Per 1 januari 2020 wijzigt de regeling met betrekking tot de transitievergoeding en in het bijzonder voor oudere werknemers. Toen de transitievergoeding in 2015 werd geïntroduceerd met de invoering van de Wet Werk en Zekerheid, werd er een tijdelijke regeling voor oudere werknemers ingevoerd. Voor een werknemer die ouder dan 50 jaar was en langer dan 10 jaar voor een werkgever werkte gold tijdelijk een gunstiger regeling; zij krijgen voor dienstjaren ná hun 50e verjaardag (voor zover zij toen al minimaal 10 jaar in dienst waren) één maandsalaris per gewerkt dienstjaar. Dat is meer dan geldt voor “gewone” werknemers; zij krijgen 1/3 maandsalaris per gewerkt dienstjaar en na 10 jaar een half maandsalaris. Deze regeling was als gezegd tijdelijk bedoeld en eindigt op 1 januari 2020.

 

Verder treedt op 1 januari 2020 de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) van Minister Koolmees in werking. Ook die wet brengt een wijziging van de transitievergoeding mee. Allereerst heeft vanaf 2020 elke werknemer wiens arbeidsovereenkomst wordt beëindigd recht op een transitievergoeding. Onder de huidige wet ontstaat dat recht pas na een dienstverband dat minimaal 2 jaar heeft geduurd. Daar staat tegenover dat na inwerkingtreding van de WAB werknemers nog aanspraak hebben op een transitievergoeding die uitgaat van 1/3 maandsalaris voor elk gewerkt dienstjaar. De hogere vergoeding van ½ maandsalaris per gewerkt dienstjaar na 10 jaar komt dus te vervallen.

 

Als u overweegt afscheid van een oudere werknemer te nemen dan kan het dus zinvol zijn even te bekijken of het beter is daarmee te wachten tot na 1 januari 2020, omdat dat dan goedkoper zal zijn. Anderzijds: voor een (oudere) werknemer kan het ook aantrekkelijker worden om nu medewerking te verlenen aan beëindiging in onderling overleg, omdat hij weet dat de vergoeding na 1 januari 2020 lager zal uitpakken; het kan dus in sommige gevallen ook verstandig zijn nu in overleg te treden.

 

Wilt u meer weten over de WAB of ontslag in het algemeen, neemt u dan even vrijblijvend contact op met Erwin Eijsberg.

Uitlegvragen gesteld aan Hoge Raad over slapende dienstverbanden

De rechtbank in Limburg heeft de Hoge Raad gevraagd zich uit te laten over de vraag of een werkgever gedwongen kan worden een werknemer te ontslaan zodat die aanspraak op de transitievergoeding kan maken.

 

Hoe zat het ook al weer? Na inwerkingtreding van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) in 2015 kreeg elke werknemer van wie de werkgever het dienstverband beëindigt, aanspraak op een transitievergoeding. Dat geldt sinds de WWZ ook voor een werknemer die na twee jaar ziekte wordt ontslagen (vóór de WWZ hadden werknemers dan eigenlijk nooit recht op een vergoeding). Omdat veel werkgevers dat onredelijk vonden maakten zij geen einde aan het dienstverband na twee jaar ziekte. De verplichting om loon te betalen stopte dan en de werknemer behield een “slapend dienstverband”, waarbij dus geen loon meer werd betaald en niet meer werd gewerkt. Alleen op papier bleef de werknemer in dienst. Omdat dat onwenselijk werd gevonden is de Wet Compensatie Transitievergoeding (WCT) aangenomen. Die wet, die in 2020 in werking  treedt, kent aan werkgevers die aan werknemers na twee jaar ziekte een transitievergoeding uitbetalen, een compensatie toe voor die transitvergoeding (die betalen werkgevers overigens zelf via premies van het werkloosheidsfonds). Over die wet schreef ik eerder op deze site.

 

Het lijkt er – heel voorzichtig uitgedrukt – op, alsof (sommige) rechters in die wet aanleiding zien een verplichting aan te nemen voor de werkgever om het dienstverband na twee jaar ziekte te beëindigen, zodat de werknemer aanspraak op een transitievergoeding heeft. De kantonrechter in Roermond heeft eerder deze maand aanleiding gezien de Hoge Raad te vragen zich uit te laten over de vraag of – kort gezegd – een goed werkgever onder omstandigheden een voorstel van de werknemer om het dienstverband te beëindigen, moet accepteren, alsmede of een redelijk beëindigingsvoorstel dan behelst dat de transitievergoeding wordt aangeboden. Een opvallende stap van deze kantonrechter, ook al omdat zijn collega in Maastricht (beiden vallen nota bene onder dezelfderechtbank Limburg) in een uitspraak een week eerder nog oordeelde dat de WCT geen reden was om een werkgever te verplichten het dienstverband op te zeggen, ook al omdat de werkgever dan tot het moment dat de WCT in werking treedt (in 2020) dat bedrag van die transitievergoeding zou moeten voorfinancieren.

 

Deze uitspraak is voor vakbond CNV aanleiding geweest aan te kondigen dat zij namens haar leden rechtszaken zal gaan starten om te proberen transitievergoedingen toegekend te krijgen. Daar kunt ook u dus mee te maken krijgen.

 

Wij zullen de uitkomst van de vragen aan de Hoge Raad nauwlettend in de gaten houden en u op deze plek daarover informeren. Mocht u vragen hebben over slapende dienstverbanden dan kunt u contact opnemen met Erwin Eijsberg.

Werkgever moet pro-actief waarschuwen voor vervallen vakantiedagen

In een tweetal recente uitspraken heeft het Hof van Justitie van de EU geoordeeld dat op een werkgever een actieve informatie- en zorgverplichting rust om een werknemer in staat te stellen (daadwerkelijk) vakantie op te nemen.

Hoe zat het ook alweer: het recht op vakantiedagen is niet onbeperkt geldig in tijd. De wettelijke vakantiedagen dienen te worden opgenomen binnen 6 maanden na het einde van het jaar waarin ze worden opgebouwd. Dus de in 2018 opgebouwde wettelijke vakantiedagen moeten vóór 1 juli 2019 worden opgenomen, anders komen ze te vervallen, zo bepaalt de wet. De bovenwettelijke vakantiedagen verjaren na een periode van 5 jaar na de laatste dag van het jaar waarin ze worden opgebouwd.

Het Hof van Justitie heeft nu eind 2018 in twee uitspraken geoordeeld dat de werkgever die zich op verval / verjaring van vakantierechten beroept, zal moeten aantonen dat hij alle zorgvuldigheid in acht heeft genomen die nodig is om een werknemer ook daadwerkelijk in staat te stellen de vakantie op te nemen. Het Hof van Justitie oordeelt daarbij dat een werkgever verplicht is er concreet en transparant voor te zorgen dat de werknemer de mogelijkheid heeft die vakantie op te nemen en dat betekent ook dat de werkgever de werknemer op precieze wijze en tijdig dient te informeren over een eventueel verlies aan vakantierechten. Alleen als de werkgever dat kan aantonen en de werknemer dus kennelijk bewust en met volledige kennis van zaken ervan heeft afgezien zijn vakantierechten uit te oefenen, kan een werkgever zich beroepen op verval / verjaring. Dat vergt dus inspanning van een werkgever, die niet meer achterover kan leunen in de hoop dat een werknemer in stilte zijn vakantierechten laat vervallen.

Meer weten over deze uitspraak? Neemt u contact op met Erwin Eijsberg.

Wettelijke indexering 2019 bekend

Elk jaar mogen lopende alimentatieverplichtingen worden verhoogd met de wettelijke indexering. De wettelijke indexering geldt zowel voor partner- als voor kinderalimentatie. Met ingang van 1 januari 2019 bedraagt die indexering 2%. Dat betekent dat uw lopende alimentatierechten of – verplichtingen met ingang van 1 januari 2019 moeten worden verhoogd met 2%. De indexering geldt op grond van de wet; elke betaler van alimentatie is verplicht die indexering te betalen, ook als het inkomen per 1 januari 2019 niet omhoog gaat. Het kan verstandig zijn de indexering zelf door te voeren als u alimentatieplichtig bent. Doet u dat niet dan loopt u het risico achteraf met een claim van de alimentatiegerechtigde te worden geconfronteerd. Een dergelijke aanspraak kan tot 5 jaar teruggaan en dan dus aardig oplopen.

Kabinet wil ontslagrecht ingrijpend wijzigen

Het kabinet wil ingrijpende wijzigingen in het ontslagrecht doorvoeren. Het wetsvoorstel Wet Arbeidsmarkt in Balans gaat waarschijnlijk voor de zomer 2019 naar de Raad van State voor advies.

De nu voorgestelde wijzigingen komen relatief kort na de vorige ingrijpende wijziging van het arbeidsrecht door de Wet Werk en Zekerheid die in 2015 in werking trad. Op die wet, destijds het geesteskind van toenmalig minister Asscher, die bedoeld was om het ontslagrecht te vereenvoudigen en de positie van de flexwerker te verstevigen is van meet af aan veel kritiek geweest. Die kritiek had met name betrekking op het feit dat de rechter werd beperkt in zijn vrijheid om een arbeidsovereenkomst te ontbinden, doordat elk van de aangevoerde ontslaggronden geheel “voldragen” moest zijn, terwijl rechters voorheen bij een aantal aangevoerde ontslaggronden die elk deels aan de orde waren, vaak toch tot ontbinding overgingen.

Verder waren er signalen dat flexibele arbeidskrachten juist sneller werden ontslagen omdat ze eerder aanspraak op een vast dienstverband hebben en werd de verschuldigdheid van een (vaak hoge) transitievergoeding bij een werknemer die gedurende 2 jaar ziekte al was doorbetaald als onrechtvaardig ervaren. Wat dat laatste betreft is al eerder een reparatiewet ingediend die vermoedelijk in april 2020 in werking treedt (zie mijn eerdere artikel op deze site). Die wet voorziet in compensatie van een aan een werknemer na 2 jaar ziekte betaalde transitievergoeding.

Het wetsvoorstel zoals dat nu is opgesteld kent onder meer de volgende bepalingen:

  • Ontslag wordt ook mogelijk als sprake is van een optelsom van omstandigheden. Er komt dus een nieuwe ontslaggrond, de zogenaamde cumulatiegrond. Als de rechter op deze cumulatiegrond ontbindt kan de rechter aan de werknemer wel een extra hoge transitievergoeding toekennen. Daarmee wordt min of meer teruggekeerd naar de situatie van vóór 2015, toen kantonrechters die ontbonden ook al was niet elk van de aangevoerde ontslaggronden geheel bewezen, dat ook vaak tot uitdrukking in een wat hogere vergoeding.
  • De opbouw van de transitievergoeding wordt verlaagd bij lange dienstverbanden.
  • De maximaal toelaatbare duur van de proeftijd bij vaste contracten wordt fors verlengd, van 2 naar 5 maanden.
  • De ketenregeling bij contracten voor bepaalde tijd wordt verruimd; je mag straks 3 contracten voor bepaalde tijd in 3 jaar tijd aangaan. Dat is nu 2 jaar. Dus het wordt straks – bijvoorbeeld – weer mogelijk om 3 jaarcontracten op rij aan te bieden.
  • Werknemers hebben straks van meet af aan aanspraak op een transitievergoeding. Nu is dat pas na 2 jaar.

Wilt u weten welke wijzigingen nog meer in het wetsvoorstel zijn opgenomen en of die relevant (kunnen) zijn voor uw organisatie, aarzelt u dan niet even contact op te nemen.

Maximale hoogte transitievergoeding 2019 bekend

De transitievergoeding waarop elke werknemer wiens dienstverband op initiatief van de werkgever wordt beëindigd recht heeft sinds 1 juli 2015, bedraagt in 2019 maximaal € 81.000,- (of een jaarsalaris als dat hoger is dan € 81.000,-). Toen de Wet Werk en Zekerheid in 2015 werd ingevoerd bedroeg de maximale transitievergoeding € 75.000,-. Sindsdien is dat bedrag elk jaar verhoogd (€ 76.000,- in 2016, € 77.000,- in 2017 en € 79.000,- dit jaar).

Hoge Raad: transitievergoeding ook verschuldigd bij “deeltijdontslag”

Op vrijdag 14 september 2018 heeft de Hoge Raad een belangrijke uitspraak gedaan over de verschuldigdheid van de transitievergoeding bij een zogenaamd “deeltijdontslag”. De term deeltijdontslag staat tussen aanhalingstekens omdat de wet de mogelijkheid van een gedeeltelijk ontslag formeel niet kent. Je kunt voor een werknemer die niet de volledige arbeidsduur meer kan worden ingezet geen gedeeltelijk (bijvoorbeeld voor 20 uur) ontslag vragen. Je moet dan volledig ontslag bewerkstelligen (via rechter/ UWV of met behulp van een vaststellingsovereenkomst) en vervolgens een nieuwe arbeidsovereenkomst (voor een minder aantal uren) met de werknemer sluiten.

Omdat er dan formeel een einde aan de arbeidsovereenkomst komt, komt de vraag aan de orde of dan de transitievergoeding moet worden afgerekend, nu de werknemer immers wel weer (maar voor minder uren) in dienst komt. Die vraag is nu door de Hoge Raad bevestigend beantwoord in een zaak waarin de weknemer na ontslag voor 55% van zijn uren terugkeerde. Werknemer vorderde de maximale transitievergoeding, althans een vergoeding gebaseerd op zijn arbeidsverlies (45%). De kantonrechter wees een beperkte vergoeding, gebaseerd op 45% arbeidsverlies) toe, maar het Hof wees de vergoeding in hoger beroep helemaal af.

De werknemer stapt naar de Hoge Raad en krijgt daar gelijk. De Hoge Raad oordeelt dat er geen rechtvaardiging is om het mislopen van een deel van de volgens de wet verschuldigde vergoeding voor rekening van de werknemer te laten. Volgens de Hoge Raad is er sprake van een gedeeltelijke beëindiging, ongeacht de vraag of de vermindering van de arbeidsduur heeft plaatsgevonden in de vorm van (1) een gedeeltelijke beëindiging, (2) een algeheel ontslag gevolgd door een nieuwe, aangepaste arbeidsovereenkomst dan wel (3) aanpassing van de arbeidsovereenkomst. Met name dat laatste kan nog wel eens tot onverwachte aanspraken van een werknemer gaan leiden; als je alleen de arbeidsovereenkomst aanpast, zonder die eerst te beëindigen, dan zou dat dus volgens de Hoge Raad ook tot verschuldigdheid van de transitievergoeding kunnen leiden. Volgens de Hoge Raad moet het dan wel gaan om een substantiële vermindering, waarvan kan worden gesproken als er sprake is van vermindering van de arbeidstijd met minimaal 20%, die naar verwachting blijvend zal zijn.

Het is zaak hiermee rekening te houden als u overweegt een werknemer voor te stellen zijn arbeidsduur te verminderen.

Hoge Raad maakt einde aan onduidelijkheid loondoorbetaling na terecht ontslag op staande voet

De Hoge Raad heeft recent een uitspraak gedaan waarin (meer) duidelijkheid is geschapen in een situatie die tot voor kort tot grote rechtsonzekerheid en onredelijke uitkomsten na een terecht gegeven ontslag op staande voet leidde (c.q. kon leiden).

De zaak draaide om een werknemer die op staande voet was ontslagen vanwege diefstal. De kantonrechter had dat ontslag op staande voet vernietigd (dus de werknemer gelijk gegeven), maar in hoger beroep was het hof het met de werkgever eens dat er gerechtvaardigde aanleiding voor ontslag op staande voet was. Dan ontstaat een rare situatie; sinds invoering van de Wet Werk en Zekerheid mag het hof namelijk in hoger beroep in een dergelijk geval alleen het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst eindigt vaststellen, maar dat tijdstip mag niet in het verleden liggen. Het hof bepaalde dat tijdstip dus (naar moet worden aangenomen: noodgedwongen) op de dag ná de uitspraak in hoger beroep.

Dan ontstaat de bizarre situatie dat in rechte is komen vast te staan dat de werkgever werknemer (in dit geval in oktober 2015) terecht op staande voet heeft ontslagen, maar dat het dienstverband niettemin pas eind mei 2017 eindigt. Consequentie daarvan zou zijn, dat de werknemer (die zich beschikbaar had gesteld voor het verrichten van de werkzaamheden, maar die door de werkgever daarvoor uiteraard niet meer was opgeroepen) over de periode oktober 2015 tot en met mei 2017 aanspraak op doorbetaling van loon zou hebben. Dit is één van de vele bizarre en ondoordachte gevolgen van de op 1 juli 2015 in werking getreden Wet Werk en Zekerheid en veel deskundigen vonden dit een onjuiste en ook evident ongewenste consequentie.

Het hof heeft dat in hoger beroep in deze zaak verholpen door te overwegen dat zich geen situatie voordoet waarbij de werknemer de werkzaamheden niet heeft kunnen verrichten door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening en risico van de werkgever komt en de werknemer zijn loonvordering (vanaf het ontslag op staande voet) ontzegd. Immers, het ontslag op staande voet is terecht gegeven en dus is dat een omstandigheid die voor rekening en risico van de werknemer komt.

Deze uitkomst zal iedereen volkomen logisch en redelijk in de oren klinken, maar het was lang de vraag of een dergelijke “oplossing” in rechte stand zou houden. Sommige schrijvers meenden dat de werkgever in een dergelijk geval een beroep op matiging van de looneis zou moeten doen en dat de werkgever die dat niet deed in dat geval pech had. Maar de Hoge Raad (waar het ontslag zelf niet meer ter discussie stond en het alleen nog ging over de loonvordering) heeft nu geoordeeld dat het hof een juiste beslissing heeft genomen en de uitspraak van het hof bevestigd. In die uitspraak klinkt overigens de kritiek op de wet en de onredelijke gevolgen voor dit soort situaties duidelijk door.

Meer weten over arbeidsrecht en ontslag? Aarzel niet even te bellen.

Gerechtshof Arnhem laat deur voor “flitsfaillissement” open.

In april 2017 schreven wij op deze site over een procedure bij het Europees Hof van Justitie die erop neer zou kunnen komen dat een flitsfaillissement wel eens veel moeilijker zou gaan worden. Inmiddels heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden recent uitspraak gedaan in een zaak van garnalenbedrijf Heiploeg. Daaruit blijkt dat het flitsfaillissement wellicht te vroeg is afgeschreven.

Hoe zat het ook alweer? Tot enkele jaren geleden was het flitsfaillissement (ook wel “prepack” genoemd) in opmars. Daarbij wordt een faillissement als het ware (in stilte) “voorgekookt”, zodat op het moment dat het faillissement wordt uitgesproken er eigenlijk direct een doorstart kan plaatsvinden (maar dan zonder schulden en over het algemeen met minder personeel). Voorstanders van de prepack wezen op de betere kansen voor een succesvolle doorstart van de onderneming. Tegenstanders (vooral de vakbonden) wezen vooral op het feit dat, omdat de prepack in stilte plaatsvindt, er op het moment dat het faillissement bekend wordt er voor belanghebbenden eigenlijk al meteen sprake is van een voldongen feit en op het gevaar dat op deze wijze op eenvoudige wijze van werknemers afscheid kan worden genomen. Die hebben immers bij faillissement nauwelijks (ontslag)bescherming. De werknemers die achterblijven doen dat bovendien doorgaans tegen mindere arbeidsvoorwaarden.

De vakbonden hebben in een zaak van een kinderdagverblijf over de prepack met succes doorgeprocedeerd bij het Europees Hof van Justitie. Dat oordeelde vorig jaar dat de prepack in dat geval niet gericht was op liquidatie van de failliete onderneming, maar op voortzetting ervan. Met als gevolg dat werknemers dezelfde rechten behielden als bij een gewone overname van een bedrijf (waarbij de verkrijgende partij alle verworven rechten van werknemers moet respecteren).

Hoewel de vakbonden die uitspraak met gejuich hebben ontvangen blijkt uit een uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 17 juli 2018 (het Hof had de zaak aanvankelijk aangehouden, in afwachting van de uitkomst van de procedure bij het Europees Hof) dat de prepack toch niet definitief uitgebannen is. In die zaak verloren bij een prepack-faillissement van garnalenbedrijf Heiploeg circa 1/3e van de werknemers hun baan. De overige werknemers behielden hun baan, maar wel tegen minder goede arbeidsvoorwaarden dan voorheen. De vakbonden startten een procedure. Zij kregen in eerste instantie bij de rechtbank ongelijk, maar gingen in hoger beroep, waar zij dus de wind in de zeilen leken te krijgen toen het Europees Hof uitspraak deed. Uiteindelijk oordeelt het Hof Arnhem-Leeuwarden echter dat de uitspraak van het Europees Hof niet betekent dat een doorstart na faillissement steeds inhoudt dat al het personeel moet worden overgenomen. Steeds zal elke zaak afzonderlijk moeten worden beoordeeld en zal moeten worden gekeken of het faillissement gericht was op liquidatie van het vermogen van de onderneming, dan wel op behoud van die onderneming. In dit geval, zo oordeelde het Hof, was bij Heiploeg sprake van de eerstgenoemde situatie. Vaststond immers dat er sprake was van aanzienlijke schulden van Heiploeg en dat de onderhandelingen in het kader van de prepack gericht waren op het bewerkstelligen van een zo hoog mogelijke opbrengst voor de schuldeisers. Het Hof bevestigt dan ook de uitspraak van de rechtbank en stelt de vakbonden in het ongelijk.

Overigens ligt er al geruime tijd een wetsvoorstel (stil) waarin de prepack een wettelijke basis zou krijgen. Het lijkt zaak dat de politiek dat voorstel weer oppakt en duidelijkheid verschaft.

Compensatie transitievergoeding zieke werknemer in werking per 2020

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft de Tweede Kamer laten weten dat de regeling waarin werkgevers worden gecompenseerd voor een betaalde transitievergoeding aan een werknemer die wordt ontslagen na twee jaar ziekte in werking zal treden per 1 januari 2020. Aanvankelijk was de inwerkingtreding voorzien per 1 juli 2019, maar het wetsvoorstel heeft de nodige vertraging opgelopen omdat het “controversieel” was verklaard en dus lang stil heeft gelegen vanwege de lange formatieonderhandelingen.

Hoe zat het ook alweer? Als een werknemer ziek wordt ben je als werkgever verplicht gedurende twee jaar het loon door te betalen. In de tot 1 juli 2015 bestaande situatie was het gebruikelijk om, als duidelijk was dat de werknemer niet meer gere-integreerd kon worden, vervolgens na die twee jaar toestemming aan UWV te vragen om het dienstverband op te zeggen. Als de werknemer vervolgens na die opzegging meende nog aanspraak op een ontslagvergoeding te hebben, moest hij in een procedure aantonen dat zijn ontslag kennelijk onredelijk was. Het was vaste rechtspraak dat kantonrechters dergelijke vorderingen in beginsel afwezen, als er geen bijzondere omstandigheden waren. Wat betreft die bijzondere omstandigheden moest je dan denken aan de situatie dat de werkgever onvoldoende had ondernomen om de werknemer te re-integreren of als de werknemer arbeidsongeschikt was geworden als gevolg van een arbeidsongeval of anderszins slechte arbeidsomstandigheden. Deden die situaties zich niet voor dan was de vordering van een werknemer tot toekenning van een schadevergoeding in beginsel kansloos.

Op 1 juli 2015 trad de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) in werking. Nieuw in die wet was dat elke werknemer die (zonder dat hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt) werd ontslagen recht heeft op een transitievergoeding. Op grond van de WWZ heeft een werknemer die twee jaar is doorbetaald tijdens ziekte dus ook aanspraak op een transitievergoeding (waarvan de hoogte kan oplopen tot € 77.000,- of een jaarsalaris als dat hoger ligt). Minister Asscher gaf – desgevraagd – aan dat het hier niet om een vergissing ging (aanvankelijk dacht men dat de minister het gewoon was vergeten te regelen), maar dat daadwerkelijk bedoeld was in dergelijke gevallen ook een vergoeding te laten betalen. Dat was dus een radicale breuk met de bestaande situatie en werd door velen als onredelijk gezien.

Gevolg daarvan was dat nogal wat werkgevers ervan afzagen om voor een werknemer die ze twee jaar hadden doorbetaald ontslag aan te vragen. Die werknemers bleven dan formeel in dienst, maar verrichtten geen werkzaamheden meer en hadden ook geen aanspraak op loon. Een risicovolle onderneming omdat dan de verplichting om te re-integreren in beginsel doorloopt en een werknemer in sommige gevallen zou kunnen herstellen en zich dan weer voor de werkzaamheden zou kunnen melden.

De “oplossing” die nu is voorzien houdt in dat werkgevers die gehouden zijn een transitievergoeding te betalen na twee jaar ziekte, worden gecompenseerd vanuit het Algemeen Werkloosheidsfonds. De kosten daarvan worden via een premieverhoging wel verhaald op de werkgevers, die deze “oplossing” dus uiteindelijk (indirect) wel zelf betalen. Deze wet zal dus, ervan uitgaande dat de Kamers ermee instemmen, met enige vertraging per 1 januari 2020 in werking treden. Daarbij is dan overigens voorzien in terugwerkende kracht, in die zin dat werkgevers die de vergoeding reeds hebben betaald vóór inwerkingtreding van de wet daarvoor toch gecompenseerd kunnen worden.

Meer weten over ontslag en transitievergoeding? Neemt u gerust eens contact met ons op.